Home

Main Menu

Key Concepts

Voor de rechter PDF Afdrukken E-mail
woensdag 27 augustus 2008 07:41
Artikelindex
Voor de rechter
De tenlastelegging
Wat nu?
Mijn verklaring voor de rechter
Reactie rechter
Opmerkingen proces-verbaal
Alle pagina's

Ondanks negen maanden van overleg, gesprekken, besprekingen en vergaderingen met scholen, Bureau Jeugdzorg Overijssel, de gemeente Hengelo, leerplichtambtenaren en intensief overleg met onze pleeggezinbegeleider van TRIAS Jeugdhulp stond ik in oktober 2006 als pleegvader voor de kantonrechter in Enschede terecht omdat onze pleegzoon niet stond ingeschreven op een school. De verantwoordelijke voogd (plus zijn vervangster) van Bureau Jeugdzorg Overijssel zat tijdens de rechtszitting gewoon in de rechtszaal als toehoorder. Ondanks het feit dat ik geen enkel wettig gezag had over mijn pleegzoon, en dus niet eens terecht zou kúnnen staan, en dat men bij Bureau Jeugdzorg op de hoogte was van deze rechtszaak nam niemand daar enige moeite om deze rechtszaak te voorkomen.
Lees wat een pleegvader kan overkomen als leerplichtambtenaren en voogden niet doen wat ze moeten doen: datgene wat in het belang is van het kind teneinde dat kind een goede ontwikkeling te bieden.


 

Rechtszitting van de kantonrechter

op donderdag 12 oktober 2006, 12.00 uur te Enschede
inzake overtreding van de Leerplichtwet 1969 door R.E. Wissink.

De tenlastelegging luidt:

"dat hij in of omstreeks de periode van 4 april tot en met 12  juni
2006 te Hengelo, gemeente Hengelo (O), althans in Nederland,
meermalen, althans eenmaal, terwijl hij als degene die het gezag
uitoefende over de jongere J.P. Ledderhof, geboren op 28 februari
1989, althans terwijl hij zich met de feitelijke verzorging van die
jongere had belast, niet heeft voldaan aan de verplichting om
overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat
voornoemde jongere op een school werd ingeschreven;
(parketnummer 736449/06) Art 2 lid 1 Leerplichtwet 1969."


Ik schrok behoorlijk toen ik op 26 september 2006 deze dagvaarding in de brievenbus kreeg. Ik heb meteen de telefoon gepakt en het parket in Almelo gebeld om te vragen of ze daar niet een enorme fout begingen. Daar heb ik nooit antwoord op gekregen. Wel kreeg ik te horen dat ik de enige verdachte was... Ik heb toen ook maar meteen schriftelijk alle processtukken opgevraagd, want ik had bijvoorbeeld niet eens een afschrift van het proces verbaal dat destijds was opgemaakt. Tot mijn verbazing was de voogd van Bureau Jeugdzorg geen verdachte meer.

Maar goed, ik realiseerde me dat ik de rechtszaak niet meer kon tegenhouden en ben een weekje achter de pc gekropen en, met de telefoon onder handbereik, heb ik de hele geschiedenis tot aan de rechtszaak gereproduceerd. Ik had geen advocaat, maar heb veel steun gehad aan Mariska Kramer (jaja, die van dat boek "Paraplu voor pleegouders") die me telefonisch voorzag van tips en advies.


Na voorlezing van de tenlastelegging door de rechter krijg ik de gelegenheid mijn verhaal te doen. Op advies van Mariska Kramer heb ik de volgende samenvatting gemaakt van 1 A-viertje, die ik voorlees.

Verklaring.

Edelachtbare,

Vooraf wil ik zeggen dat het in deze zaak gaat over het ontbreken van een schoolinschrijving van mijn pleegzoon, John Ledderhof. John is een jongen van 17 jaar, die belast is met het syndroom van Asperger, een stoornis in het autistisch spectrum. John heeft met stijgende verbazing de vele besprekingen, telefoongesprekken, mailtjes, alsmede de al maar groter wordende stapel stukken in deze zaak van nabij gevolgd. Hij hecht eraan te zeggen dat hij altijd de bereidheid heeft gehad en nog heeft om naar school te gaan en te voldoen aan hetgeen de leerplichtwet voorschrijft. Hij is in de hele periode ook gewoon naar school geweest, maar de inschrijving ontbrak.

Graag wil ik opmerken dat ik mij niet schuldig voel aan de tenlastelegging. Er is sprake van een algehele voogdij en dus is Bureau Jeugdzorg, als de wettelijk vertegenwoordiger van mijn pleegzoon, belast met het wettelijk gezag over hem en dus ook verantwoordelijk voor de inschrijving op een school en daartoe ook verplicht. Niet ik.

Toen wij in 1989, een jaar na de plaatsing van ons eerste pleegkind, haar zelf inschreven op de basisschool, werden wij door de toenmalige voogd over de vingers getikt met de mededeling dat wij dat niet hadden mogen doen. Dat besliste zij en zij moest zorgen voor de inschrijving.

Van zo’n voorval leer je veel als beginnend pleegouders. De huidige school van John wachtte met inschrijven totdat zij de goedkeuring hadden van Bureau Jeugdzorg op een door de school aan Bureau Jeugdzorg uitgebrachte offerte van school- en begeleidingskosten. Zolang er geen goedkeuring was van Bureau Jeugdzorg, schreef de school hem niet in. Dat die offerte niet was goedgekeurd en ook niet goedgekeurd zou worden, begreep ik pas tijdens een gesprek met de leerplichtambtenaar op 4 april. Ik verkeerde in de veronderstelling dat het allemaal in orde was en dit ging ook buiten mij om. De leerplichtambtenaar heeft ook de voogd op inschrijving aangesproken, maar dat had blijkbaar geen effect. Inmiddels zijn we een half jaar verder. Door de omstandigheden (Johns huidige, nieuwe voogd was ziek), en in het belang van John, zag ik mij gedwongen om ervoor te zorgen dat hij toch onderwijs kon volgen. Daarom heb ik, op eigen initiatief, John op 28 september op naam van Bureau Jeugdzorg ingeschreven bij het ROC. Hij gaat daar ook gewoon naar school en hoopt volgende maand zijn eerste examen te kunnen doen als assistent meubelmaker. De voogd van Bureau Jeugdzorg heb ik per mail van deze inschrijving in kennis gesteld, maar daar heb ik nog geen reactie op ontvangen. Ik weet ook niet of zij inmiddels weer hersteld is. Graag wil ik u in het hierna volgende informeren over alle, veelal merkwaardige, gebeurtenissen die sinds 26 januari 2006 uiteindelijk hebben geleid tot deze zaak. Een zaak waarin ik als pleegpouder Bureau Jeugdzorg ernstige tekortkomingen verwijt t.a.v. de betaling en inschrijving op een school. Daarmee heeft ze zijn belang ernstig geschaad.

Ik ben ervan overtuigd dat ik mijn best heb gedaan voor hem.

De rest van mijn 14 pagina's tellende stuk laat ik even voor wat het is.


De rechter verbaast zich over mijn uitspraak dat Bureau Jeugdzorg het wettelijk gezag heeft over mijn pleegzoon. Hij ziet de voogd in de rechtszaal zitten en vraagt hem onmiddellijk of mijn bewering klopt.

Zowel de voogd als onze pleeggezinsbegeleider roepen vanuit de zaal meteen dat het klopt.

Daarna gaat het allemaal erg snel. De rechter stelt op basis van het feit dat Bureau Jeugdzorg het wettelijk gezag heeft over John vast dat er iets niet klopt. Hij kijkt Officier van Justitie mr. Dronkers aan en stelt direct vrijspraak voor. Mr. Dronkers kan niet anders dan daarin meegaan. Ik word vrijgesproken!

Ik vraag aan rechter Olthoff of ik hem mijn hele verslag mag overhandigen. Dat mag. Hij zal het met genoegen in de trein naar huis lezen en daarna aan Bureau Jeugdzorg sturen.


Opmerkingen t.a.v. het proces-verbaal.
Ik wil graag een paar zaken opmerken over het proces-verbaal.

  1. Allereerst staat op het voorblad te lezen dat het hier gaat om een proces-verbaal relatief schoolverzuim. Op datzelfde blad staat te lezen onder “Verdacht van overtreding van: artikel 2 en artikel 4 van de Leerplichtwet 1969 (absoluut schoolverzuim)”. Waarom gaat het hier nu?
  2. Op datzelfde blad staan als verdachten vermeld: Ledderhof, John Paul, en ondergetekende, Wissink, Rudi. Van de verbalisante, een leerplichtambtenaar van de gemeente Hengelo, heb ik bij het verhoor begrepen dat ook de voogd van mijn pleegzoon, Bureau Jeugdzorg Overijssel, in de persoon van de heer K., als verdachte is gehoord. Ik heb echter begrepen dat Bureau Jeugdzorg niet is gedagvaard. De reden daarvan is mij niet bekend, maar ik vind dit zeer vreemd.
  3. Op de eerste pagina van het proces-verbaal staat te lezen in de vierde alinea: “John woont bij zijn ouders”. Dit is onjuist. John woont al sinds 5 augustus 1989 (dus ruim 17 jaar) in het pleeggezin, waarvan ik een van de pleegouders ben.
  4. In de navolgende zin staat te lezen dat “Buro Jeugdzorg Overijssel als gezinsvoogd is aangesteld voor John.” Bureau Jeugdzorg Overijssel is niet de gezinsvoogd, maar de voogd omdat hier sprake is van een door de kinderrechter in 1989 uitgesproken algehele voogdijmaatregel. Het betekent ook dat Bureau Jeugdzorg Overijssel de wettelijk vertegenwoordiger is van onze pleegzoon, John Ledderhof, en dat zij het gezag over hem uitoefent. Dat heeft o.m. tot gevolg dat pleegouders bijvoorbeeld niet gerechtigd zijn te tekenen voor een schoolinschrijving van pleegkinderen en dat Bureau Jeugdzorg in dit soort gevallen de inschrijving dient te verzorgen en te ondertekenen.
  5. In de volgende zin staat vermeld dat “zowel John als zijn ouders voor het absoluut verzuim verantwoordelijk kunnen worden gesteld”.
    In de Leerplichtwet 1969, artikel 2, lid 1 staat echter: "Degene die het gezag over een jongere uitoefent, en degene die zich met de feitelijke verzorging van een jongere heeft belast, zijn verplicht overeenkomstig de bepalingen van deze wet te zorgen, dat de jongere als leerling van een school is ingeschreven en deze school na inschrijving geregeld bezoekt. Bij de inschrijving wordt een van overheidswege verstrekt document of een bewijs van uitschrijving van een andere school overgelegd waarop de gegevens van de jongere betreffende zijn geslachtsnaam, voorletters, geboortedatum, geslacht en sociaal- fiscaalnummer of bij gebreke daarvan zo mogelijk zijn onderwijsnummer zijn vermeld. Indien de in de eerste volzin bedoelde personen bij de inschrijving aannemelijk hebben gemaakt dat zij geen sociaal-fiscaalnummer of onderwijsnummer van de jongere kunnen overleggen, leggen zij het sociaal-fiscaalnummer of onderwijsnummer van de jongere over aan de school zodra zij daarvan kennis hebben verkregen.”
    Hierin wordt het kind als zodanig niet genoemd. Dus concludeer ik dat John onterecht als verdachte is aangemerkt. Dat blijkt ook later, want hij is niet gedagvaard. Bureau Jeugdzorg daarentegen, als degene die het gezag uitoefent, had volgens mij wel gedagvaard moeten worden. Nu krijg ik de indruk dat degene die wettelijk verantwoordelijk is voor mijn pleegzoon niet op diens verantwoordelijkheid wordt aangesproken. Ik ben als pleegouder slechts een vrijwillig uitvoerder van de zorg van TRIAS Jeugdhulp, de voorziening voor pleegzorg en mág niet eens de schoolinschrijving van onze pleegkinderen doen.
  6. Op diezelfde pagina staat vermeld onder verdachten, Wissink, Rudi Emiel: “(stief)vader van John”. Voor zover nog niet duidelijk: ik ben niet Johns biologische vader, ik ben niet zijn stiefvader, maar ik ben zijn pleegvader, al sinds 1989 en heb dus geen enkele wettelijke bevoegdheid over John.
  7. Naar aanleiding van het op pagina 2 vermelde gespreksverslag met de voogd wil ik het volgende opmerken: Op 26 januari 2006 hebben de voogd van Bureau Jeugdzorg, de heer K., en ik samen met John een gesprek gevoerd met de heer Diepenmaat, opleidingscoördinator van de Stichting Leerwerkprojecten te Oldenzaal. In dat gesprek zijn de volgende afspraken gemaakt:
    1. John zal daar de ROC-opleiding Assistent Meubelmaker/machinaal houtbewerker van de stichting Hout en Meubel volgen gedurende een dag per week. De kosten van deze opleiding bedragen € 196,35 per schooljaar.
    2. John zal daar de overige dagen praktijk volgen, waarbij begeleiding zal worden verleend door mensen van TopCraft. Deze begeleiding kost € 18,75 per dag.
    3. De heer K. zegt toe de kosten van begeleiding te zullen betalen volgens de regeling Flexgelden 2006.
    4. De heer Diepenmaat zegt toe een offerte te zullen sturen aan Bureau Jeugdzorg met daarin de kosten van de ROC-opleiding en de kosten van de begeleiding. Deze offerte is op 6 februari 2006 aan ondergetekende en Bureau Jeugdzorg verzonden.
    5. De heer Diepenmaat zal John een overeenkomst laten tekenen met daarin de regels waaraan John zich dient te houden. Dit is ook gebeurd.
  8. Ik ben gehoord door een leerpichtambtenaar, die als buitengewoon opsporingsambtenaar is beëdigd. Zij is een collega van de leerplichtambtenaar die de hele kwestie behandelt. Haar vragen zijn niet bepaald objectief. Integendeel: zij maakt gebruik van een handgeschreven lijstje met vragen, die bepaald suggestief en subjectief zijn te noemen. Als ik daartegen bezwaar maak, verandert ze haar manier van vragen stellen. Na het verhoor, en na voorlezing ervan door haar, vraag ik om een afschrift. Dat kan ik niet krijgen. Ik hoef het verhaal ook niet te ondertekenen.
  9. Op mijn verzoek om bij het verhoor van John aanwezig te mogen zijn, krijg ik als antwoord dat dat niet mag. Het verhoor van John vindt plaats onder vier ogen.
  10. Ondanks het feit dat ik gehuwd ben in gemeenschap van goederen, en ik dus samen met mijn vrouw het huishouden run van het gezin, waarvan ook John als pleegkind deel uitmaakt, is mijn vrouw niet gedagvaard.

Wordt vervolgd...

Laatste aanpassing op donderdag 04 september 2008 15:28
 
Advertentie